Geestelijkheid

Binnen de diverse familie takken die ik in de loop der jaren heb uitgezocht, kwam ook nogal wat geestelijkheid voor. Reden genoeg om hier een aparte pagina  aan te wijden.

De jaren tussen 1880 en 1910, was de tijd van de grootste veranderingen in Nederland aangaande kinderarbeid, leerplicht, algemeen welzijn, structurele gezondheidszorg, zorg voor de armen en meer.
Daarnaast, en dan met name in Brabant en Limburg waar de kerk toch al meer invloed had dan in andere provincies en het katholicisme hoogtij vierde, kreeg een familie al snel meer aanzien als een of meerdere kinderen toetraden tot een of andere orde. Speelde dit niet zo zeer in bv. Zuid- en Noord Holland, toch waren ook hier organisaties onder toeziend oog van de kerk. Zie hiervoor ook de pagina over Antony BK Vogel, die na zijn pensionering een actief lid werd van de St Jozef gezellen vereniging in Haarlem.

Binnen de diverse families die onderzocht zijn waren er een aantal personen die toetraden tot een klooster orde of als missionaris / zendeling het land voor korte of langere tijd verlieten, danwel priester werden. Hieronder een aantal uit de diverse familielijnen:

van LINT
Binnen de van Lint familie, in de “Brabantse tak” van Hermanus Franciscus van Lint en Maria Louiza Horemans, zijn er drie van de zes kinderen die een geestelijke roeping volgden:

1.    Jacobus Hendricus Franciscus Josephus van Lint, huwde Anna Theresia Wilhelmina van de Oudenhoven.

2.    Johanna Anthonia Elisabeth Maria van Lint geboren 20 september 1908 Roosendaal, overleden 21 juni 1995 Berlaar, België. Zij vertrok op 8 sept. 1928 naar het klooster van de Zusters van het H. Hart van Maria te Berlaar, België en deed haar Eeuwige Professie op 18 september 1933 als Zuster Hermine.
Zij was werkzaam als lerares in snit, naald en confectie altijd strevende naar perfectie. Haar grote liefde ging uit naar het orgelspel, dat zij van haar vader had geleerd en kon uitdragen op de kapelorgel bij alle diensten tot de vrijdag voor haar sterven.
Cantabo Domino in vita mea… ik zal voor de Heer musiceren mijn leven lang.

3.    Francisca Geertruida Wilhelmina Johanna van Lint geboren 18 aug. 1909 Roosendaal, overleden 21 aug. 1929 Nispen. Zij was lid van de congregatie van O. L. Vrouwe Onbevlekt Ontvangen en van de Eucharistische Kruistocht, groep B te Essen.

4.    Hermanus Wilhelminus Charles Carolus van Lint.

5.    Charles Carolus van Lint geboren 8 januari 1916 te Nispen, overleden op 21 april 1998 te Huijbergen.
Vertrok op 30 september 1926 naar een broederklooster in Oud-Gastel, 3 mei 1929 naar Anderlecht (B) en deed zijn eeuwige professie op 15 augustus 1942 bij de Congregatie van de Broeders van Huijbergen als Broeder Leonardo.
Hij was leraar BLO te Breda en Bergen op Zoom waar hij zeer werd gewaardeerd voor zijn creatieve vaardigheden. In 1994 keerde hij terug naar Ste.-Marie in Huijbergen om van zijn laatste, rustende dagen te genieten die echter door een ongeval minder vredig verliepen.Gestorven is hij in zijn eigen verzorgingskamer en begraven op het klooster kerkhof  aldaar. Op zijn bidprent de tekst: “Dankbaar om wat je voor ons bent geweest”.

6.    Josephina Achilla van Lint huwde Andre Elsakkers.

Vanwege de grote verscheidenheid in ordes en kloosters die ik vond, zal ik hier niet al te ver op ingaan, maar ik verwonderde mij wel over wie de Broeders van Huijbergen waren. Enig onderzoek leerde het volgende:

De alledaags gebruikte naam ” Broeders van Huijbergen ” dankt de congregatie aan het dorp met dezelfde naam in Brabant. Daar stichtte de toenmalige bisschop van Breda in 1854 de broeder gemeenschap. De eerste broeders werden gevestigd in een voormalig klooster van de Wilhelmieten, alwaar de bisschop reeds een jongens weeshuis had ondergebracht. De eerste broeders zouden de zorg voor deze wezen op zich nemen.
Daarnaast werd ook een pensionaat opgezet voor ‘jongerlingen van nette familie’ om de priesteropleiding een betere basis te geven. De doelstelling van de broederschap werd omschreven als dienstbaarheid aan de medemens door het verlenen van opvoeding en onderwijs aan de jeugd, en met name de zwakkeren onder hen.
Meerderen werden tot dit leven aangetrokken, en zo groeide deze gemeenschap.

Na 1890, mede door de groei van de broederschap, vestigden de broeders zich ook in plaatsen als Breda, Oosterhout, Bergen op Zoom en Hulst. In 1901 werd ook een eigen kweekschool op gestart. Deze groei zette zich voort, tot na de tweede wereldoorlog. In 1957 trokken de eerste broeders naar Brazilie en later ook naar Indonesie.

Tegenwoordig zijn er in Nederland nog twee communiteiten, met merendeels vergrijsde leden. Zij dragen zorg voor de bescherming van het verleden in een museum en archieven.


Onder een foto van het klooster complex te Huijbergen

KIGGEN

Binnen de Kiggen familie vinden we er meer, waaronder een zeer markant figuur. De Kiggen familie kwam van oorsprong uit Weert, waar de naam door huwelijk ook gemengd werd met Bocken. (Zie stamboom Kiggen)
Het was het vijfde en laatste kind uit dit huwelijk, wat een aardig stukje geschiedenis aangaande geestelijkheid boven water bracht.

Johannes Godefridus Kiggen, later Father Jean Kiggen werd geboren op 16 juli 1884 in Weert, als zoon van Lambertus Kiggen en Petronella Emans.

Ook hij maakt in eerste instantie kennis met het leven en werk op het platteland, met name in en rond de boerderij. Als hij opgroeit, wordt hem echter meer en meer duidelijk dat juist dat leven hem weinig aantrekt. Hij heeft een andere roep gehoord, en naarmate hij ouder wordt, en de roep sterker, krijgt hij een steeds duidelijker idee, van wat hij precies wil.
Vol overgave studeert hij, om de benodigde kennis te vergaren, benodigd om zijn studie theologie en filosofie te kunnen gaan volgen.

Als hij oud genoeg is, en er van overtuigd dat hij de juiste keuze maakt en richting kiest in welke hij verder wil, vertrekt hij naar Roermond om aldaar verder te kunnen studeren en toe te treden tot de Orde van de St Josephs Congegratie, later meer bekend als de Paters van Mill Hill.

Vanaf ongeveer 1880, volgden reeksen van klooster stichtingen, die zich meer en meer gingen toeleggen op de missionering in de meest veraf gelegen gebieden.
Velen werden door dit idealisme, gecombineerd met de sterke hang naar het geloof uit die tijd, geinspireerd tot toetreding in een van de vele orden, om na hun studie en wijding, het geloof te kunnen gaan prediken.

The Fathers of Mill Hill, de later meer populaire benaming voor de leden van de St Josephs congregatie voor buitenlandse missies, werd gesticht in 1866 door Herbert Vaughan, de latere kardinaal en aartsbisschop van Westminster.
De leden, priesters, broeders en leken, leggen een eed af zich te wijden aan de evangelisering in alle landen waar de congregatie leden zijn toevertrouwd.
De hoofdzetel is gevestigd in Mill Hill bij Londen. De congregatie verbreidde zich in Engeland, Nederland, Tirol, Ierland en de VS.
De leden werken in India, Pakistan, Noord Borneo, de Filipijnen, Nieuw Zeeland, Oeganda, Kenia , Zaire, Kameroen, Soedan en op de Falkland eilanden. De congregatie telde in 1980 ca 1000 leden. 

Op 15 september 1908, na jaren van studie en toewijding, wordt Joannes tot priester gewijd, en reist af naar Engeland, Mill Hill, om aldaar op 19 september 1908 zijn eerste Heilige Mis op te dragen, gevolgd door een mis door hem opgedragen, op 27 September in Weert.

Vrij spoedig daarna wordt hem gevraagd te vertrekken naar Oost Afrika, naar het Vicariaat van de Boven Nijl in Oeganda. Daar start hij zijn werk, en het zal tot 1928 duren voor hij een eerste maal terugkeert naar Nederland.
Vlak voor zijn vertrek naar die verre en vreemde landen, werd het ouderlijk huis aan Laar 113 prachtig versierd, zoals het in die tijd gebruikelijk was. Een ereboog had als opschrift:

Vergeet Laar in Oeganda nimmer, vergeet het aan het altaar niet, 
Ons Laar dat thans met groen en bloemen, aan U zijn priester hulde biedt 

Aangekomen in Oeganda werd hij geplaatst op een jonge missiepost, Qesoga. Het was een gebied zo groot als het derde deel van Nederland, en er woonden ruwe en wilde stammen, die vrijwel nooit contact met de buitenwereld hadden.
Father Kiggen bracht er een industrialisatie tot stand en verhuisde daarna naar een ander gebied in Oeganda. Hij kwam terecht noordelijk van de Budini missie in Tesoland.

Dit was een uitgestrekt en onherbergzaam land, zonder wegen. Father Kiggen stond hier in 1911 voor een bijzonder moeilijke taak. De hier wonende inlanders hadden nog nooit een missionaris gezien, en van het christendom hadden ze geen weet.
Hun taal, het Teso, was nog nooit door een blanke gesproken. Na drie jaar hard werken kon Father Kiggen de eerste Teso-neger dopen, maar ook op het gebied van maat-schappelijk leven ontplooide hij zijn capaciteiten.

Hij zorgde voor aanplanting van o.a vlas en katoen, liet van uitgeholde boomstammen kano’s maken en  vervoerde vervolgens in die kano’s katoen bestemd voor kleding. Hij werd hier dan ook wel de ‘vlootadmiraal Kiggen’ genoemd. Om de inlanders betere voeding te bezorgen werden er boekweitkoeken geproduceerd. Father Kiggen nam ook het initiatief tot de opleiding van ambachtslieden: steenbakkers, metselaars en timmerlieden.

Verder had hij een grote voorliefde voor vreemde talen. Behalve de moderne talen beheerste hij ook het Hebreeuws. In dit kader kreeg hij in Oeganda een mooie kans. De toch al zo moeilijke Teso-taal bestond niet op papier, was dus nog nooit geschreven. Father Kiggen ving de klanken op en schreef ze op. Zo zette hij de gehele taal op schrift en bovendien zette hij schoolboekjes om in de Teso-taal. Verder schreef hij godsdienstboekjes in deze taal. Twee cathechismus boekjes en een paar lesboekjes werden in zijn geboorteplaats Weert gedrukt.

Na 20 jaar pionierswerk moest Father Kiggen tijdelijk om gezondheidsredenen terug naar Nederland. In Nederland teruggekomen, zoekt hij op diverse wijzen naar de meest effectieve vorm van missiepropaganda en missiehulp. Met name het reizen in de dunbevolkte maar dicht begroeide gebieden bezorgden nogal hoofdbrekens, hetgeen al vaker uit diverse gesprekken met Leden van de Orde naar voren was gekomen.
Hij werkte ook intens mee aan de bevordering en bloei van de missiegeest. Bovendien werd hij voor zijn congregatie de procurator van het Mill Hill – tehuis in Haelen.
Daar moest voor de priester-studenten nieuwbouw worden gepleegd.Toen die opdracht was voltooid, werd hij vanwege zijn in de missie opgedane kennis en ervaring, technisch directeur bij de opleiding van missionarissen.

In 1936 echter begon bij de missionaris het zendingsbloed weer te kriebelen. Hij wilde zich weer wijden aan het bekeringswerk in Soedan, een land van rivieren en moerassen.
Zijn standplaats daar zou Yoin-Yang worden, langs de rivier Bahr el Ghazal, een zij rivier van de Nijl. Dat alles in het gebied van de Nuer-bewoners.
Dit nieuwe missie gebied was 60.000 vierkante kilometer groot en lag tussen Egypte en Oeganda.
Om zijn werk in dit waterrijke gebied goed te kunnen verrichten, zou een flinke motorboot onmisbaar zijn. Er ontstond in Weert een ‘Father Kiggen comité’ waarin burgemeester Kolkman en deken Souren zitting hadden. De oproep aan de bevolking om geld bijeen te brengen voor de boot vond ruime bijval.

“Immers, de heidenen hebben er recht op te kennen en te beminnen de eenen waren God als hun Vader, en God heeft weederkerig recht op den dienst en de liefde zijner heidenkinderen”. 

In 1939 werd de motorboot, een 10-tons vaartuig, wit geschilderd en genaamd St. Martinus, door de deken ingezegend, en kort voor de Tweede Wereldoorlog uitbrak vertrok Father Kiggen naar Soedan en bestudeerde hier de plaatselijke talen.
In 1948 keerde hij terug naar zijn oorspronkelijke gebied van de Teso’s. Hier voltooide hij de dictionaire van de Teso-taal in twee delen van in totaal 1040 bladzijden.

Over die boot werd later nog veel gesproken en geschreven, hieronder een fragment uit een brief van de Algemeen Overste, die op visitatie reis in het gebied waar Father Kiggen werkzaam was, verbleef. De brief werd geschreven in mei 1946:

“Heel wat zou ik kunnen schrijven over de boot van Father Kiggen, de St. Martinus en over de goede menschen in Nederland, bijzonder in Limburg, die deze niet genoeg te waarderen hulp aan de Kodok-missie hebben gegeven. Het is werkelijk een juweeltje, en buitengewoon berekend op zijn taak. Ik weet niet wat men hier zonder deze boot zou moeten beginnen.
Ook op onze tocht langs de verschillende missie posten heeft ze heelemaal ter onzer beschikking gestaan.Alles bijelkaar hebben we er een 600 km mee afgelegd. We lazen de H Mis aan boord en sliepen den slaap der rechtvaardigen in de drie zeer comfortabele bedden in de ruime kajuit. Broeder Francis was schipper en machinist en tevens kok.
Er gaat een Shilluk jongen mee naar het zuiden. Deze gaat zijn philosofie studie beginnen bij de Verona Fathers in Gulu. Het is een goede jongen en ik hoop, dat hij zijn doel zal bereiken. Wel is zijn vader er zeer op tegen, dat hij priester gaat worden. In vroegere jaren zijn er enkele priesters uit dit gebied geweest en zelfs een Dinka. En de Dinka’s worden toch beschouwd als de meest achterlijke van al de stammen in dit gebied”.  

In juli 1957 keerde hij opnieuw terug naar Nederland. Het zou dit maal voorgoed zijn. Op 8 oktober dat zelfde jaar, overleed hij na een ziekte van slechts twee dagen in Maarheeze, waar hij bij zijn familie logeerde. Op 12 oktober werd hij begraven op het kerkhof van het missiehuis Nieuw Vrijland in Oosterbeek bij Arnhem. Father Kiggen werd 73 jaar.

Zijn bijnaam ‘de Reus van Oeganda’ , deels te danken aan zijn forse postuur en deels aan de enorme hoeveelheid werk dat hij verzette, deed na zijn dood iemand de volgende regels schrijven:

Een leven vol missie werk voor de Afrikanen.
De Reus van Oeganda is geveld, maar zijn geest blijft bij hen          


Kiggen / Bocken

De oorsprong van de familie Kiggen ligt in Weert. Hierboven is te lezen hoe “de Reus van Oeganda” een inspiratie was voor familieleden en de katholieke gemeenschap in en rond Weert.
Zijn twee jaar oudere broer, Petrus Joannes Hubertus Kiggen, huwt Petronella Roefs, en vestigd zich net na de eerste wereld oorlog in Maarheeze waar hij zoals zijn vader voor hem, een boerderij opzette.
Uit dit huwelijk Kiggen – Roefs, worden weer 8 kinderen geboren.
Een van de jongere zoons, Lambertus Petrus Johannes, met als groot voorbeeld zijn oom Johannes Godefridus, zal ook tot de Fathers of Mill Hill toetreden, en zoals zijn oom voor hem, deed ook hij werk in Oost Afrika.

Een oudere zus van Johannes Godefridus huwde rond diezelfde tijd in Weert met Antoon Reinier Bocken, zie verder hieronder.

Twee juweeltjes van foto’s:
Foto boven het echtpaar Kiggen – Emans met de vijf kinderen. Tweede van links, Johannes Godefridus Kiggen dan al priester en lid van de fathers of Mill Hill. Geheel rechts, zus Maria Elisabeth die met Antoon Reinier Bocken zal huwen.

Foto onder, de families Kiggen en Emans samen. Beide foto’s zijn genomen rond 1905, bij de familie boerderij op het Laar in Weert.

Het gezin Bocken-Kiggen, krijgt later op het Laar in Weert bekendheid, met het vormen van het grootste gezin aldaar.
Er worden in totaal 15 kinderen geboren, waarvan er drie zoons en twee dochters toedreden tot een of andere orde. Die vijf waren:

  • Jan Bocken, 1908 – 1976, lid van de Fathers of Mill Hill
  • Petronella Bocken, 1907 – 1967, lid van de Zusters Ursulinen als zuster Baptista
  • Antoon Bocken, 1909 – 1959, lid van de Fathers of Mill Hill
  • Frans Bocken, 1918 – 1988. lid van de Fathers of Mill Hill
  • Catharina Elisbath Bocken, 1911 – ??, lid van de Zusters Ursulinen als zuster Marie-Liza

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *