Franciscus van Lint 1909 – 1998

Tussen de papieren die na het overlijden van Frans van Lint gevonden werden bevond zich een klein pakketje hand- en volgeschreven papieren. Het bleken zijn memoires te zijn, waarschijnlijk geschreven in 1991.

De inhoud hiervan, is hieronder onverkort, en onverandert overgenomen. 

Franciscus Antonius van Lint

Ergernis en schaamte
 
Toen ik in de oorlog mensen hielp, zonder erbij na te denken, en een groep van 5 man van mij eiste hen direct te helpen, zo niet dan zou ik worden neergeschoten en ze haalden een pistool voor de dag en zetten dat op mijn hoofd.
Ik kon gelukkig aantonen, dat ik nu dienst deed en niet weg kon gaan, daar hij – de directeur – mij direct zou missen en alarm zou slaan.
Ik wil wel helpen maar niet nu… Gelukkig gingen zij weg maar zouden wel eens terug komen. Toen ze weg waren, kreeg ik het heel erg te kwaad, ben naar de directeur gegaan en heb verlof gevraagd om naar de dokter te gaan, omdat ik mij niet goed voelde.
Ik kwam bij dokter van Veen en vertelde hem het relaas. Hierop antwoordde hij: “Waarom doe je dan zoiets? Hou je daar buiten. Jij bent toch niet zo brutaal om zo’n kerel, wanneer die alleen zou komen een knal voor zijn kop te geven. Je bent helemaal over de rooie. Ga naar huis. Meld je maar ziek. Hier heb je een klein flesje Valeriaan, wat je vanmiddag 2x om de 2 uur moet innemen.Ik zal je nu een prikje geven om wat kalmer te worden”.
Ik ben thuis gekomen. Ben naar bed gegaan maar kon niet tot rust komen. Zo ben ik dieper in de oorlogshulp terecht gekomen, daar denk ik dikwijls met ergernis en schaamte aan terug….
 
Verdriet in mijn leven heb ik vele gehad
 
Moeder Hannah zwaar ziek geweest, haar niet kunnen helpen, bij de hulp die ik haar dag en nacht gaf, niets mogen vertellen van wat zij had.
Precies zoals in de oorlog haar niets kunnen vertellen van wat ik precies deed. Zij bleef daar geduldig bij. Ik heb wel eens geroepen: Mijn God, waarom zij? Wij hebben samen zoveel opgebouwd…
Daarna op haar aanraden ben ik gaan reizen, al mijn kinderen langs. Hier een week, daar tien dagen, steeds opnieuw beginnen. Totdat ik dacht het gevonden te hebben. Ben na 13 jaar weggelopen. Wel verdriet en schaamte omdat ik mijn jongens, mijn kinderen kwijtraakte, ziek werd van ellende….
 
Genoegen en vreugde
 
Ik denk aan de tijd die ik bij ome Ab, mijn broer, doorbracht, die mij opving toen ik uit Zwijndrecht was weggelopen. Bij Peter, die mij van ziek zijn beter maakte door me te leren positief te denken en te handelen. Als ik dan terugdenk aan het weer goed leren lopen en fietsen, en de fietstochten die ik heb gemaakt door het dorp Dalfsen en de andere dorpen, ja dan heb ik weer vreugde bij me en vergeet al het andere, wat mij is aangedaan.
 
Mijn oudste herinnering

Mijn oudste herinnering is toen ik denk ik 2 a 3 jaar was. Ik kon onder de ronde tafel doorlopen. Een tafel waar wij allemaal aanzaten. Ineens ging dat niet meer.
Ik heb het nog 2 of 3 keer geprobeert, maar stootte mijn hoofd zo hard, dat ik het bij mijn weten niet meer heb geprobeert.
Ook herinner ik mij de mooie wandelingen die wij ‘s zondags-middags na het eten maakten. Wandelingen van zo’n 2 a 3 1/2 uur rondom mijn geboortestad Delft. Zo leerden wij ook de geschiedenis Van Delft. Vader vertelde veel onderweg en liet ons ook veel zien. En als we dan moe waren was er altijd nog een glaasje limonade te drinken als we thuis kwamen.
NaarScheveningen gaan was ook een van de wandelingen in de vakantie, maar… op zondag. Dan had vader een bal en gooide die vooruit en wij als jonge hondjes er achteraan. Wie hem dan het eerste had kreeg dan een boterbrok. Nou dat was heel wat, want snoepen was er normaliter niet bij.
Zo nu en dan gingen we wat aan de graskant zitten om even te rusten. Zij die het jaagpad van Delft naar Rijswijk kennen weten ook hoe lang dat is. Bij de Hoornbrug, wat vroeger de Molentjes heette, begon de Haagweg, een smalle lange laan waar twee paarden of paard en wagens elkaar net konden passeren. Daar begon dan de vraag of we al in Scheveningen waren. Dan was prompt het antwoord: “Nog even doorlopen en niet zeuren. Jullie willen toch de zee zien?”
Kwamen we dan in Rijswijk en begin Den Haag aan, dan zagen we de paardetram en daarna de stoomtram, die op het Huijgensplein weer terug ging naar Delft.
Lopen maar…..
Door de Wagenstraat, de Venestraat, het Noordeinde, Koninklijk Paleis met het grote standbeeld ervoor. Dan mocht je even op het voetstuk zitten. Dat was goed voor ons. Dan zei moeder: “Als je goed luistert hoor je de zee ruisen.”
Lieve moeder om zo bij ons de moed erin te houden. Het kon natuurlijk de zee niet zijn, maar het Scheveningse bos, het ruisen van de bomen. Wij wilden wel weer verder spelen door het Scheveningse bos. Zoeken naar haasjes of konijntjes, die je natuurlijk niet zag. Wel keutels genoeg.
Denk niet dat we zomaar de Keizerstraat doorliepen zoals nu. Nee, daar begon opzij een hoge duin, waar we overheen moesten. Boven op de duintop gekomen was de vermoeidheid weg, want daar lag de zee. Prachtig, zo mooi heb ik naderhand de zee nooit meer gezien.
Vader en moeder hoefden niet meer te zeggen; “We gaan verder.” Wij buitelden, rolden of liepen het duin af naar het strand waar de boten lagen, wagens en paarden stonden. Wagens werden gebruikt om de dames en heren de zee in te trekken, om daar dan te kunnen zwemmen. Het was een heel leuk gezicht om te zien hoe een dame in de wagen stapte. Er werd dan een zwaar dik paard voor gespannen en dat beest moest dan de golven in tot op de helft van zijn buik. En dan stapte de dame of heer uit de wagen in zee. En wij lachen als er een kopje onder ging. Daar mochten wij onze kousen en schoenen niet uittrekken. Het was daar met die paarden, wagens en schepen te gevaarlijk.
Dus verderlopen. Vermoeidheid kenden we niet….. Pootje baden of zoals dat heette ‘pootje baaien’ en golfje springen. Dan riep moeder om te komen eten en een kopje koude thee te drinken. Heel erg fijn.
 
Ik zal eerst eens even zeggen hoe laat we ongeveer van huis weggingen.
‘s Morgens half negen weg, aankomen in Scheveningen omstreeks 2 uur ‘s middags.
Dan kwam de tijd weer om naar huis te gaan. Ja dat was om ongeveer 4 uur, dat we de terugtocht begonnen. Aankleden, en voor vader en moeder koppen tellen zodat niemand achter bleef. De terugtocht liep niet zo snel. Nu kreeg vader een goed idee: “Willen jullie een ijsje van twee cent of zullen we met de tram naar huis gaan?” Hoe kun je zoiets vragen aan kinderen. Hij kreeg natuurlijk het antwoord: “Een ijsje.”  Maar moeder was nog een ietsje slimmer en die zei: “De tram kost voor kinderen 3 cent.
Dan zijn we per persoon 5 cent kwijt. Dat kan toch?” Dat was zo helemaal van de dolle. Moeder, dat was toch geweldig. Een ijsje, wat we bij heel hoge uitzondering kregen, en dan met de stoomtram naar huis. Het kon niet op….
Nu nog een keer naar de speeltuin. Dat was dan onze maand vakantie en voor vader zijn twee dagen vakantie per jaar. Onze vakantie begon 29 juli en eindigde 31 augustus, Koninginnedag. Op 1 september weer naar school.
  
Koninginnedag 31 augustus
 
De laatste dag van de vakantie. ‘s Morgens heel vroeg stak vader de vlag uit, vanuit de meisjeskamer. Dan moesten wij naar buiten met een oranje sjerp om. Om acht uur gingen vanuit de markt 6 of 7 verschillende muziekkorpsen de verschillende buurten door, nadat ze (de muziekkorpsen) eerst reveille hadden geblazen met het Wilhelmus.
De buurten waren allemaal versierd met slingers en bloemen, waar de mensen dagenlang mee bezig waren.
Er was meestal een muziekkorps te paard en ook een op de fiets. Zoiets zie je niet meer. Onbegrijpelijk was het, hoe ze het konden; muziek maken en tevens de paarden rustig houden. Zo ook het muziekkorps op de fiets. Sturen en blazen, hoe zou dat gaan, zo mooi en zo goed. Als jongen van een jaar of zeven – acht werd ik er stil van. Nu ben ik 82 en begrijp nog niet hoe dat allemaal zo mooi, zo muzikaal werd opgelost…..
Als dat ‘s morgens voorbij getrokken was gingen we om 12 uur eten, want daarna kwam voor ons de optocht, waarin we meeliepen. Vader gaf mij dan zijn mooie officiers-sjerp, van hemzelf om. Mijn broers en zusjes ook een sjerp, of oranje linten, en om 2 uur in optocht met de oranje vereniging mee. Muziek voorop, naar een kinder voorstelling in een heuse schouwburg waarbij zo nu en dan drinken en een versnapering werden aangeboden.
Moe en tevreden kwamen we dan thuis om na het avondeten weer mee te gaan om de verschillende versierde straten te bekijken, waar een groot orgel stond te draaien en veel muziek werd gemaakt. Er werd dan ook gedanst en gezongen, en wij deden natuurlijk mee. Daarna vuurwerk op de markt. Prachtig, en het kon niet op. De laatste knal kwam….. einde van de vakantie. Jammer.
 
Voorouders
 
Mijn grootouders heb ik nooit gekend. Wel een oude foto die in een ronde zwarte lijst thuis hing. Ik weet van de overlevering dat opa Mingels uit Belgie kwam, en in Holland dienst nam als militair om naar Indie te gaan. Is als koloniaal teruggekomen en daarna in Harderwijk getrouwd met mijn oma. Daar werd mijn moeder uit geboren.
Van vaders vader en moeder weet ik alleen, ook van overlevering, dat hij brug- wachter was en helper aan de schepen.
Moeders vader had een klein Indisch pensioentje en een schoenmakerij bij de Vischpoort in Harderwijk. Moeder vertelde wel eens dat het ‘s winters zo hard vroor, dat de Zuiderzee bevroren was. Men ging daar dan schaatsen. Het gebeurde dan ook wel dat de dooi plotseling inviel en het ijs van de wal afbrak, en als een grote boot de zee opdreef. Daar waren dan mensen op aan het schaatsen. Die hadden niets gemerkt. De schepen moesten dan uitvaren om die mensen te redden.
Er was dan een omroeper die door het hele dorp trok om het te vertellen, om te roepen. Iedereen liep dan naar de zee en hielp wat hij kon om die mensen te redden.
Mijn vader heeft mij wel eens verteld, dat hij toen hij als militair gelegerd was in Harderwijk, wel eens ging kijken naar de bevroren Zuiderzee.
 
Vaders verkering
 
Op een keer ontmoette hij daar, bij een bevroren Zuiderzee, mijn moeder in het gezelschap van haar vader en moeder. Zo kwam hij als soldaat al gauw in gesprek met moeders vader, die als soldaat geweest zijnde, elkaar aanspraken en natuurlijk het soldatenleven naar voren brachten.
Moeder en dochter kregen het koud en wilden naar huis, waarop vader Mingels tegen mijn vader zei: “He joh, dan ga je toch met ons mee koffie drinken!?”
Zoiets laat een soldaat niet over zich heen gaan. Het moet een mooi paar zijn geweest toen zij trouwden…..
 
Oom en tante 
 
Van moeders kant heb ik alleen een neef gekend, Antoon Mingels, die al vroeg zijn moeder verloor. Zijn vader – de broer van mijn moeder – hertrouwde met (wat ik later hoorde) tante Dientje. Antoon Mingels ging al op 17 jarige leeftijd vrijwillig in dienst. Tante Dientje en Antoon Mingels konden niet goed met alkaar overweg, dus was soldaat worden vroeger de oplossing.
Deze jongen (Antoon Mingels) kwam graag bij ons thuis, werd ook als eigen jongen door moeder behandeld.
 
Overgeplaatst
 
Vader werd overgeplaatst naar Delft, naar het Militaire Rijkskleding Magazijn, op de Oude Delft in de Oude Poort uit de 12e of 13e eeuw. Ik weet dat de oorlog in 1914 uitbrak en vader het heel erg druk had in het magazijn met de uitgifte van soldaten kleding. Wij moesten hem eten brengen, hij kreeg geen verlof om thuis te eten. Ik was dus 5 jaar. Het was in een oud slot. De Rotterdamse Poort.
Delft had in de 13e of 14e eeuw 14 ingangen, poorten, waaraan een groot huis was vebonden. Ik ben daar vele malen geweest. Ook toen ik ouder werd en de kamertjes mocht bekijken. Ik vond het altijd fijn als ik vader eten moest brengen. Dan liet hij mij alles zien: de hele dikke poort met de getraliede vensters, hele zware banken en stoelen.
Als je een bezoek brengt aan het museum in Delft waar Willem van Oranje werd dood geschoten, dan heb je daar precies hetzelfde wat kamers, trapjes en gangen betreft.
 
Oorlog 1914 – 1918
 
We kregen een Belgische vluchtelinge in huis. Moeder had gerekend op een kind dat gebracht zou worden. Maar in plaats daarvan werd er een vrouw gebracht van ongeveer 70 jaar. Wat anders te doen dan aanvaarden…..?
Het was een prachtmens. Moeder heeft wel eens gezegd: “Ik had het niet beter kunnen treffen.” Zij had van haar koning (Albert I) een zilveren medaille gehad als hofnaaister. Die gaf ze als dank aan onze vader en moeder. Ja deze mensen wisten wat hulp bieden was. Vader en moeder zeiden altijd : “Waar 12 mensen eten, schiet er voor nummer 13 en 14 een boterham over om mee te eten.”
Daarom namen ze nadat de belgische madam weg was, twee Duitse vluchtelingen in huis, maar niet voor lang. Deze mensen deden iets waar vader en moeder veel verdriet van hadden. Daarna kwam er een Duits meisje, een Oostenrijkse enz.
  
Wat waren het toch mooie zomers en winters
 
Winters die werkelijk begonnen eind oktober en eindigden eind april. Mei, heerlijk. Mei avonden naar het lof, rozenkrans bidden, Maria-lof. Mei ook feest van de sociaal-democraten, optochten, 1 mei boom met linten, muziek, zang en dans door de jeugd. Mei maand versiering thuis en in de kerk rond het Mariabeeld. Feest ook in de natuur. Groene bomen, groene weiden, veel schapen en lammetjes die we iedere dag zagen bij ons op het land.
Waar nu huizen staan, en fabrieken was het een geurig land vol boterbloemen, de madeliefjes, pinksterbloemen, koeien en kalveren, schapen en lammetjes, en enkele paarden. Wanneer we ‘s zondags ne het middagmaal gingen wandelen, vertelden vader en moeder ons over de natuur en alles wat daarmee samenhing. Urenlang lopen langs water, dijken en dorpen zodat je vermoeid weer thuis kwam.
 
De hete zomers
 
Het gebeurde ook dat het op school zo warm was, dat je naar huis werd gestuurd. Aantal kinderen in de klas 40 of soms meer. Als we dan ‘s morgens onder het speelkwartiertje even naar de thermometer gingen kijken (die hing op de speelplaats) probeerden we hem met onze adem omhoog te krijgen. Want als het 33 graden was mochten we naar huis. Maar dat lukte niet altijd hoor.
 
Straatspelletjes genoeg
 
Hardlopen, tikkertje, bokspringen, knikkeren en touwtje springen. Hardlopen was 200 of 300 meter. Tikkertje is elkaar achterna lopen en dan proberen te pakken. Bokspringen net als bij gymnastiek. Jongens en meisjes gingen gebukt staan en dan moesten andere jongens en meisjes er overheen springen. Als je verkeerd sprong dan kwam je met je hoofd op de grond terecht, huilen en naar huis.
Bult eigen schuld.
 
Knikkeren. Een steen uit de straat peuteren. Kuiltje maken en dan maar proberen een of meerdere knikkers in de put te krijgen.
Zo werd er ook wel eens grof gespeeld. Dan werd de vraag gesteld: “Wie doet er mee met 10 knikkers?” Dan hield er een zijn hand op en kwamen er van 3 kanten 10 knikkers in. In twee handen. Wat in de put kwam had je gewonnen. Maar vroeger droeg je allemaal een pet. En nu gebeurde het allemaal wel eens, dat je goed in het spel zat en niet op of om keek, en op het moment dat jij dan al die knikkers er in wilde gooien, hij zijn pet eronder hield en wegliep. Dan was het knokken geblazen.
 
Vakantietijd
 
Zo verliepen de maanden mei, juni en juli. Ho…..juli…spanning, want wanneer zouden we vakantie krijgen? Ga je over naar de volgende klas? Ongeveer 20 juli kwam het sein. Meestal zaterdag om 11 uur. Alles inleveren, en dan 6 weken vakantie.
 
Franciscus Antonius van Lint
 

Nawoord en disclaimer

Ome Frans, zoals ik mij hem herinner, was een geweldige man, altijd vol met grapjes.
Ik heb besloten tot het opnemen van zijn memoires, als nagedachtenis aan hem.
Voor zover ik kan zien staan er geen kwetsende feiten in, en wordt niemands privacy geschonden.
Mocht iemand toch bezwaar hebben tegen deze publicatie, laat het mij weten, en het wordt onverwijld en zonder discussie verwijdert.

Frans, beheerder website

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *