Franciscus van Lier 1932 – 2010

Franciscus Jacobus van Lier

Het is 1932 als Franciscus Jacobus van Lier als derde kind in het gezin van Jacobus van Lier en Engelina Sara Reinhard wordt geboren. Voor zover achterhaald woont het gezin dan in de Vinkesteinstraat in Den Haag, en in totaal zullen er zeven kinderen geboren worden.

Het is acht jaar voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog, en Nederland verkeert in depressie. Het zijn de crisisjaren tussen 1929 en 1940.
Rond 1938 als hij zes jaar oud is, gaat Franciscus naar de lagere school, in dit geval de Aloysiusschool gelegen op de hoek Weimarstraat en Herschelstraat in Den Haag. Deze school werd gestart in 1915 en in 1967 werd zij opgeheven. Hij doorloopt de zes klassen met goed gevolg, en waarschijnlijk heeft hij daarna geen onderwijs meer genoten, of in ieder geval weinig en ging uit werken. Mogelijk met zijn vader Jacobus Gerardus die volgens de bevolkings registers als woningstoffeerder en behanger werkzaam was.

Het grootste deel van de tweede wereld oorlog brengt hij dus door op de lagere school, en hij is tien jaar oud als zijn grootvader Franciscus Casparus van Lier, 1871 – 1942, komt te overlijden. In de oorlogsjaren verliest hij ook zijn oom Petrus Jacobus Franciscus, 1900 – 1941 en oom Franciscus Petrus, 1908 – 1945.
In 1945 verliest hij bij een foutief bombardement van de engelsen ook bijna oma Theodora van Lier-Been, als het Bezuidenhout in Den Haag goeddeels wordt verwoest. Zij bleef echter gespaard, en vond tijdelijk onderdak bij tante Ali (Alida Theodora Adriana van Lier 1912 – 1972), in die tijd ook woonachtig aan de Vinkestein straat.
Alle verdere gegevens over genoemde namen zijn terug te vinden in de database.

Over de jaren direct na de oorlog, 1945 – 1949,  is verder niet veel bekend.   

Wat hem er toe bracht om aan te monsteren op de zeevaart is niet geheel duidelijk, mogelijk de verhalen uit en over Amerika, waar twee broers van zijn moeder Engelina Sara, naar toe waren geemigreerd (zie Gerardus Franciscus en Hendrik Reinhard).
Zeker Hendrik Reinhard, later in New York beter bekend als “Harry” zal wanneer de gelegenheid zich voordeed op de latere reizen vaak bezocht worden en was een favoriete oom voor Franciscus.

Het is 1949, en in mei dat jaar wordt het eerste zeemans boek voor Franciscus afgegeven. Hij is dan nog minderjarig, zeventien jaar, en op pagina 4 van het boekje is de machtiging van zijn vader te vinden die goedkeuring geeft voor de arbeids overeenkomst.
In juli wordt hetzelfde boekje gestempeld met de goedkeuring “bewijs van gezondheid voor jeugdige schepelingen” en in december, een paar dagen voor de kerstmis, vertrekt Franciscus op zijn eerste reis die vier maanden zal duren.

Franciscus wordt aangenomen als “pantry jongen” aan boord van de Mitra, en het werk zal zoveel hebben ingehouden als het rondbrengen van koffie en andere versnaperingen, alswel als het schoonhouden en afwassen in de pantry.

De Mitra behoorde tot de NV. Petroleum Maatschappij in Den Haag, en werd beheerd door Shell Nederland. Na de Mitra volgt een aantal reizen op de Coryda, en van pantry jongen klimt Franciscus op naar bediende.
In 1953 besluit Franciscus om eens iets anders dan de tankers te proberen, en er volgt een tweetal reizen bij de Holland America Line.
Een reis op de Arnedijk en een reis op de Blommersdijk, beide schepen vervoerden vracht en hadden daarbij een passagiers accomodatie. Blijkbaar beviel dit niet zo goed, en in december van hetzelfde jaar is hij weer terug bij de petroleum maatschappij La Corona. De maatschappij gaat in 1955 geheel op in de Shell, waarna Franciscus jaren op de Shell tankers zal varen.

In 1954 ontmoet hij zijn latere echtgenote, Alberta Antonia Rooders.
De familie Rooders woont dan in de van Swindenstraat, niet ver van de Vinkesteinstraat.
In 1955 wordt er traditie getrouw verloofd, gevolgd door het huwelijk in augustus 1955. Het verloven en huwelijk wordt tussen enige reizen door allemaal georganiseerd. In 1955 vaart Franciscus van maart tot eind april op de Kenia, dan juni en juli op de Kellia, waarna hij tot december thuis is. 

In augustus 1955 treden zij in het huwelijk, waarbij oma Theodora Been (zie eerder in dit verhaal) nog aanwezig is.  Hieronder een tweetal foto’s van dit huwelijk, allereerst het kersverse bruidspaar, en daarnaast  tante Krina Brabander – van Lier met oma Theodora Been.




















Het kerkelijk huwelijk wordt voltrokken in de St. Agnes kerk aan de Beeklaan, niet ver van waar de families van Lier en Rooders wonen in die tijd.
Besloten wordt om tijdelijk in te trekken bij de ouders van Alberta, in het huisje aan de van Swindenstraat. Het zal ook daar zijn dat het eerste kind geboren wordt, en het zal tot 1958 duren voordat zij hun eerste eigen onderkomen en adres hebben. Dit na de geboorte van het tweede kind, en een reis van Franciscus die uiteindelijk meer als een jaar zal duren.

Het is december 1955 als Franciscus weer voor de kerstdagen vertrekt. Hij zal dan op tijd terug zijn voor de geboorte van het eerste kind, Franciscus Albertus van Lier, 18 februari 1956. Helemaal zeker was dit niet, de reizen in die tijd waren niet geheel vaststaand of gepland, en werd met recht de “wilde vaart” genoemd. Het kon zo maar gebeuren dat een schip in bv. Engeland lag, verwachting was terug varen naar Rotterdam, en dan onverwachts orders krijgen om naar bv. Zuid Amerika te varen. Dit was ook de reden dat er nooit met zekerheid gezegd kon worden wanneer de thuiskomst weer verwacht was.

Contact in die tijd was ver voor het internet en alles bestond hoofdzakelijk uit brieven, en soms een kort gesprekje via Scheveningen radio, waarbij dan heel kort met de familie gesproken kon worden, dit tussen alle geruis en gekraak van de radiogolven door.

Zoals gehoopt en verwacht, was de thuiskomst op tijd voor de eerste geboorte (7 februari 1956) en alles kan op gebruikelijke en gepaste wijze worden gevierd. Tijd genoeg voor alles de daarop volgende vertrek datum valt op 9 april 1956. Deze reis wordt op het laatste moment gecancelled, en zo kan Franciscus zelfs thuisblijven tot medio juni dat jaar.
Dan vertrekt hij weer, dit maal op de Kabylia. Wat een korte reis zou wezen loopt echter heel anders, en kon dan nog niet voorzien worden.

In september 1956 wordt bevestigd dat het tweede kind zich aankondigd. Franciscus is dan onderweg van Mena (Saudi Arabie ?) naar Singapore. Aangegeven wordt dat het dan wel tijd wordt en zinvol is dat er voor een eigen huis gekeken gaat worden. Het echtpaar woont dan nog steeds in aan de van Swindenstraat.
Franciscus is in december dat jaar bijna 6 maanden van huis, en geeft aan dat hij familie, en zeker zo belangrijk, zijn geliefde ADO (nu FC Den Haag) mist, en er naar uit kijkt om naar huis te komen en bij de bevalling van het tweede kind aanwezig kan zijn. Wanneer die thuiskomst is laat zich nog raden.

Ook de kerstdagen en oud en nieuw is hij nog ver van huis. Hij schrijft dan onder meer dat het de 8e keer is dat hij de feestdagen van huis is en aan boord bij de Shell doorbrengt.

Al in het begin schreef ik dat twee ooms aan de Reinhard kant naar Amerika waren ge-emigreerd, en ook dat jaar heeft Franciscus dan toch de kans om die familie weer te bezoeken. Op de tweede kerstdag 1956 verlaat hij voor twee dagen het schip, om in Amerika wat tijd met die kant van de familie door te brengen. Hij schrijft daar later over dat het erg leuk was geweest, en dat hij kerst kado’s had gekregen. Ook is hij met oom, tante en hun twee dochters uitgeweest.

Het moet in die tijd zijn geweest dat hij er over dacht om te stoppen met varen, want in hetzelfde schrijven verteld hij dat hij werk kan krijgen in Amerika, en eventueel kan emigreren. Hulp kan geboden worden door zijn oom, maar zover komt het echter niet.
De verwachting is dat het schip van New York naar Bajo Grande gaat, daarna terug naar New York, en dan vandaar uit naar Le Havre.

Er wordt al met de kapitein gesproken aangaande verlof vanwege de op komst zijnde bevalling, en de handtekening hiervoor is al gegeven. Een en ander moet dan alleen nog via het kantoor in Rotterdam geregeld worden. Maar de orders veranderen, en in januari vermeld de briefwisseling dat het schip weer onderweg is naar New York. De laatste orders daarna bekend, zijn dat het schip van New York naar Curacao zal varen, en er nog geen zicht is op terug komst naar Europa dan wel verlof.
Eind januari 1957 zijn er weer nieuwe orders bekend, het schip zal van New York naar de haven van Punta Cardon in Venuzuela gaan en daarna via het Panama kanaal naar Long Beach. In plaats van dichter naar huis, varen zij steeds verder weg, en de bevalling komt dichterbij.

Februari 1957, en nog steeds aan boord. Het laatste nieuws is dat het schip van Maracaibo (Noord-west Venuzuela) naar Curacao zal varen. Laden, lossen, en dat drie maal. Er is dus weinig hoop over dat de thuiskomst op tijd voor de bevalling zal zijn, en er wordt nu serieus gedacht om maar te stoppen met varen. Al met al duurt de reis dan al bijna acht maanden en de lol is er wel een beetje af.

In maart , de bevalling is dan nog maar 10 dagen weg, opnieuw correspondentie. Franciscus is in afwachting van bericht aangaande de bevalling (telegram) en het schip vaart dan tussen Freeport (Golf van Mexico) en Curacao. Zij zullen iedere 5 dagen binnen zijn, en de reis duurt dan al bijna 9 maanden.
Ook wordt er dan nog gesproken aangaande de naamgeving van de nieuwe wereldburger, het eerste kind is naar Franciscus (pa) genoemd, en (hopelijk wordt het een meisje) het tweede kind zou dan naar Alberta (ma) vernoemd moeten worden. Zo ging dat in die tijd, en was geheel volgens traditie en gebruik.

Een week voor de geboorte van het tweede kind, het schip gaat van Curacao naar Rio de Janeiro. De terugkeer naar Europa en het verlof laat nog even op zich wachten. De verwachting in deze is hopelijk in april, maar niets is zeker in deze.
Op 17 maart wordt dan het tweede kind geboren, wederom een zoon, en krijgt de namen Albertus Franciscus.

Aan boord wordt een telegram afgegeven betreffende de geboorte, en in een volgende brief wordt er naar de details zoals lengte en gewicht gevraagd. Het is ook niet makkelijk om zover en zo lang van huis te zijn met zo’n gebeurtenis.
In april ziet het er dan eindelijk naar uit dat het schip zal terug keren naar Europa en er verlof aangevraagd kan worden.
De verwachtte route is Buenos Aires – Monte Video – en dan naar de Perzische Golf via de Kaap de Goede Hoop. In mei is het schip daadwerkelijk onderweg naar Mena, en de verwachting is via het Suez kanaal en Gibraltar naar Rotterdam te komen.
Al met al duurt de reis dan al zo’n 11 maanden. In juni arriveert het schip dan daadwerkelijk in Rotterdam, en met een grote hoeveelheid verlof dagen gaat Franciscus naar huis, om tijd door te brengen met het inmiddels uitgebreidde gezin. In totaal is hij dan een jaar van huis geweest.

In januari 1958 wordt er dan opnieuw aangemonsterd. Dit maal is het de Kalinga, wederom van de Shell tankers. Het zeemans bloed blijft kriebelen. Ook deze reis zal echter niet zonder noemenswaardige gebeurtenissen verlopen.

In februari is het schip op route tussen Curacao en New York. Vlak voor het vertrek is het gezin dan verhuisd naar de eerste eigen (huur)woning in de van Breughelstraat. Uiteraard wordt er veel geschreven over verbeteringen en veranderingen in en rond de woning.
In april dat jaar als het schip onderweg is naar Sidney, wordt er serieus over gecorrespondeert dat het zeemans leven niet langer echt bevalt. Er wordt over gedacht om in de havens van Pernis (Rotterdam) te gaan werken, en volledig te stoppen met varen. Het schip is dan onderweg naar Miri (Maleisie), en zal onderweg Indonesie aandoen. In Indonesie is het dan echter al enige tijd onrustig, hieronder enige uitleg:

Nederland erkent (onder druk van de VS) uiteindelijk op 27 december 1949 de Indonesische onafhankelijkheid. Naar schatting hebben 150.000 inheemsen en 6000 Nederlanders intussen het leven verloren. Ahmed Soekarno wordt de eerste president van het land.
In 1958 verbreekt Soekarno de Unie met Nederland. Nederlandse bedrijven worden onder beheer gesteld, en in enkele maanden repatriëren 35.000 Nederlanders.

De correspondentie uit mei 1958 vermeld dat het schip in het midden van de nacht onverwacht en op volle kracht de haven van Borneo heeft verlaten. Wat er zich precies verder heeft voorgedaan is niet duidelijk, maar in de brief wordt er verder vermeld dat Franciscus dan al 14 dagen met een gekneusde hand rond loopt. In de volgende haven zal er een afspraak met de dokter gemaakt worden. In Miri denkt de dokter aan een zenuwonsteking, maar doet er verder niets mee. Het schip gaat dan onderweg van Maleisie naar Sidney.

Wat er medisch gezien nu precies mankeerde aan de hand/arm is nooit helemaal duidelijk geworden. In juni 1958, na aankomst in Sidney wordt er weer bezoek aan de dokter gebracht. De klachten zijn intussen dusdanig geworden, dat de arm in een mitella gedragen wordt. De dokter kan niets vinden.
Een dag later gaat Franciscus naar een specialist, die opname in het hospitaal adviseerd. Er worden 4 dagen in het hospitaal doorgebracht, en daarna naar een hotel in afwachting van verdere reisorders. Het schip heeft Sidney intussen al verlaten.

Als de hand weer opzet, wordt de specialist weer bezocht die een injectie toedient. Terug naar het hotel, maar drie dagen later wordt opnieuw de specialist geraadpleegt als de hand weer begint op te zwellen. De specialist stelt een operatie voor, maar Franciscus vraagt of het dan niet beter en mogelijk is om naar Holland teug te keren.
Dit verzoek moet via kantoor in Rotterdam, dus er wordt terug gekeerd naar het hotel. Uiteindelijk volgt dan de toestemming, er moet alleen gekeken worden of de reis per schip of per vliegtuig gemaakt gaat worden. Uiteindelijk keert Franciscus per vliegtuig terug, en met uitstaand verlof blijft hij nog in dienst bij de Shell tot september 1958 waarna hij besluit te stoppen met varen.

Er volgen diverse baantjes aan de wal, maar het zeemansbloed is nog niet tot bedaren gekomen. Er wordt opnieuw aangemonstert, en de jaren 60 en 61 worden er nog wat reizen gemaakt. Daarna is het echt afgelopen, en gaat Frans aan de wal werken. 

Na het overlijden van Frans vond ik tussen de diverse papieren een gedicht dat hij eens ooit ergens gevonden zal hebben, en wat hem zeker aangesproken zal hebben. De volledige versie heb ik hieronder gezet, als herinnering en ter nagedachtenis aan mijn vader.

ZEELUI

Zeelui horen op het water,   
zij verdrogen aan de wal.
Ieder weet dat vroeg of later
eens de zee hem roepen zal.
Dan zegt de visser;’,, Zie hier staat je man;
Geef mij een schip opdat ik varen kan !
Want de zee is mijn gebied
Zee en wind en het verre verschiet.

Vele weken lucht en water ,
Eindelijk weer vaste wal’
En het groots gevoel dat later
Weer de zee je roepen zal,
Dat is de trots van elke visserman
Die toch de zee niet meer missen kan.
Want de zee is zijn gebied,
Zee en wind in het verschiet.

Zeelui zweren trouw aan het water,
wat ook het lot hun brengen zal
Eerst komt zee en schip ,en later
Vrouw en kinderen aan de wal.
Sterk is de man die storm en dood veracht
Dapper de vrouw die stil op zijn thuiskomst wacht !
Beiden kennen het eeuwige lied
van de zee en verre verschiet.

God, geef mij een schip op de wijde zee
En je hand om de vleet te bewaren
En geef na de reis ons een veilige ree
en opnieuw weer je zee om te varen

De zee is voor de ruige rot
En de wal voor de bangen en de braven.
Geen voorspoedige reis beloofde God
maar aan het eind wel een veilige haven.


Auteur mij onbekend