Franciscus Westhoff 1773 – 1831

Franciscus Johannes Baptistus Westhoff
 
De familie Westhoff kwam oorspronkelijk uit Duitsland, uit de buurt van Enigerloh.
Zie hiervoor de personen database.

Franciscus Johannes Baptistus werd gedoopt in Amsterdam op 24 juni 1773. Het is de tijd van bezettingen en oorlogen, de opkomst van Napoleon en er heerst overal armoede.
 
Het is al vanaf 1760 dat de handel en economie van Nederland in een grote terugval zijn terecht gekomen, en grote delen van de bevolking leven op het randje van de armoede grens.
Ook de inval van de Franse troepen in 1795 dragen niet echt bij tot rust en tevredenheid onder de bevolking, en het zal tot 1815 duren dat Nederland economisch en sociaal iets opbloeit.
In 1816 en ook in 1817 mislukt een groot deel van de oogst, en met de daaropvolgende ongekend strenge winter stijgt de nood en armoede opnieuw tot ongekende hoogte. Van de twee miljoen inwoners die ons land dan kent, leven er ruim 10% onder de armoede grens.
Geen gemakkelijk leven dus, en het laat zich raden hoe het dagelijks leven eruit zag.

 
In al deze chaos van die tijd vinden we Franciscus terug als hij op 18 augustus 1797 in Amsterdam huwt met Anna Anthonia Rits.
Anna werd gedoopt op 24 februari 1773 in Amsterdam en was de dochter van Rutgerus Rits en Johanna Star.
 
Uit dit huwelijk werden 5 kinderen geboren, allen te Amsterdam.

Twee jaar na de geboorte van het laatste kind, komt Anna Rits echter te overlijden op 11 januari 1812, en blijft Franciscus achter met de zorg voor al die kinderen, geen gemakkelijke taak.

Volgens de overlijdens akte van Anna woont het gezin dan aan de Anjeliers gracht, en verdient vader Franciscus de kost als “koekebakker”.
Met de economische malaise van die tijd, wordt het gezin meer en meer een prooi voor de armoede, en kan slechts met moeite overleven. In Drenthe wordt er echter een sociaal experiment opgestart, de zogenaamde kolonies:

Het is in 1818 dat er een sociaal experiment wordt opgestart onder de bevlogen ideeen van generaal Johannes van den Bosch. In Drenthe worden grote gebieden (nog) woeste grond aangekocht, en hier word begonnen met een “proefkolonie”.
Het was de bedoeling dat de grond met hulp van de weinige aanwezige boeren zou worden omgevormd tot landbouwgrond. Verpauperde landgenoten konden op deze manier een nieuwe basis van bestaan vinden, om vervolgens meer kansrijk terug te keren naar de normale maatschappij.

Er zou niet alleen voorzien worden in werk, maar ook in onderdak, zorg en onderwijs. Met behulp van giften konden er een aantal kolonie huisjes gebouwd worden. Deze bestonden uit een woonruimte van 20 vierkante meter, en twee bedsteden. De huisjes werden opgetrokken uit steen, en bedekt met riet.

Al in november 1818 konden  de eerste 50 gezinnen hier worden opgevangen. In totaal werden er tussen 1818 en 1824 zo’n 400 kolonisten huisjes gebouwd, en daarnaast een 20 woningen voor de wijkmeesters. Voor die tijd een grote prestatie. Het geheel werd ondergebracht in de Maatschappij voor Weldadigheid.
 
Hoewel het “vrije” kolonies waren, moest iedere kolonist wel precies doen wat er voorgeschreven werd, en werden er werkschema’s en produktienormen vastgesteld waar de lonen aan gekoppeld waren.
Het is nog een eeuw voordat de leerplicht in de wet wordt vastgelegd, maar hier gingen alle kinderen van 5 tot 12 jaar al verplicht 5 dagen per week naar school.


Zo leek het er op dat het een voorbeeld kolonie was, zonder overlastgevende bedelaars, en alleen werd bevolkt door “fatsoenlijke” armen die een nieuw bestaan probeerden op te bouwen.
Ondanks alle mooie vooruitzichten en beloftes, wilden veel arme stedelingen niet naar het barre en verre Drenthe “emigreren”. Zij die er wel naar toe gingen, lieten zich niet zomaar tot “beschaving” dwingen en omvormen, en kwamen uiteindelijk in opstand tegen het regime dat hen van minuut van minuut voorschreef wat zij moesten doen.
Naast de drie zogenaamde “vrije” kolonien, Wilhelminaoord, Willemsoord en Frederiksoord, kwam er nu een vierde “straf kolonie” voor kolonisten die niet wilden luisteren.
 
In 1819 werd er een groot opvanghuis gebouwd dat onderdak zou gaan bieden aan ongeveer 2000 bedelaars. Er bestond nog steeds veel armoede, met name in de grotere steden, en de Maatschappij besloot dingen anders aan te pakken.

Bedelaars en vagebonden konden het wel met wat minder voorzieningen doen en men kon voortaan ook onder dwang naar de nieuwe ‘onvrije’ kolonie in Norg gestuurd worden. Maar nog altijd bleek dat veel bedelaars wegbleven omdat zij niet voldeden aan het enige criterium dat nodig was om in Norg voor onderdak in aanmerking te komen, namelijk het fysiek tot werken in staat zijn.

Toen echter de giften en daarmede de inkomsten daalden, werd ook deze eis losgelaten om de maatschappij niet verder in de schulden te laten geraken. Alleen blinden en waanzinnigen mocht men voortaan nog weigeren. Tenslotte werden er nog 178 invalide militairen met hun gezinnen aan de bevolking van Veenhuizen toegevoegd om toezicht te houden op al die bedelaars.  

Op aanbeveling van het gemeentelijk armen bestuur van Amsterdam, krijgt Franciscus de kans om een van de eerste vrije (vrijwillige ?) kolonisten in het verre Drenthe te worden. Een kans die met twee handen wordt aangegrepen, met een zicht op een beter bestaan.
Het gezin verlaat op de 15e Oktober Amsterdam met de boot, en komt drie dagen later op de 18e aan. Geen gemakkelijke reis in die tijd.

In Amsterdam gaan zij eerst naar de politie kazerne aan de Utrechtse poort. Van daaruit gaan zij met een beurtschip over de Zuiderzee naar Blokzijl.
Eenmaal in Blokzijl aangekomen gaan zij verder per trekschuit door het Steenwijkerdiep naar Steenwijk.
Van Steenwijk is het dan nog een tocht van enige uren per ossenkar naar de kolonies.
Na dagenlang door elkaar te zijn geschud, vermoeid van een reis over zee en land, komen zij dan uiteindelijk in het verre Drenthe aan. De reis naar de kolonies werd betaald en voorbereid door de Maatschappij van Weldadigheid, en de subcommissies. Daarnaast werden ook onderweg nog controles uitgevoerd om te zien dat alles zonder problemen verliep. Zo is er een brief van de subcommissie in Amsterdam waarin het gezin Westhoff wordt genoemd bij de laatste etappe naar de kolonie.

Na de administratieve afhandeling worden zij in kolonie 4 op hoeve 62 Wilhelminaoord geplaatst. De inschrijving in het bevolkingsregister:

Fransicus Baptist. Westhoff, geboren op 24-06-1773; plaats van herkomst: Amsterdam; godsdienst: kath.; aangekomen op 23-10-1821; ingeschreven in Wilhelminaoord als kolonistenvader; overleden op 25-01-1831.
Bijzonderheden:
Westoff is weduwnaar. Uit de contributie van het Arr. Amsterdam.
De man bracht 5 kinderen mee.
De vader is op 04-01-1831 ingedeeld bij kol. J.Barning en aldaar op 25-01-1831 overleden.

Van alle (meegekomen) kinderen werden de inschrijvingen ook apart gedaan:
 
Petrus Gerardus Westhoff, geboren op 01-01-1798; plaats van herkomst: Amsterdam; godsdienst: kath.; aangekomen op 01-01-1822; ingeschreven in Wilhelminaoord als kolonistenzoon; overleden op 01-01-1827.
Bijzonderheden:
Petrus is een zoon van Fransicus Johannes Baptistus Westhof (weduwnaar).
In 1822 gehuwd met huisverzorgster N. Pierre de Wijn kolonie II
 
Johannes Westhoff, geboren op 26-01-1802; plaats van herkomst: Amsterdam; godsdienst: kath.; aangekomen op 23-10-1821; ingeschreven in Wilhelminaoord als kolonistenzoon; overleden op 24-06-1825.
Bijzonderheden:
Johannes is een zoon van Fransiscus Johannes Baptistus Westhof ( weduwnaar).
Overleden in het mil. hospitaal te Leiden.
 
Jacobus Martinus Westhoff, geboren op 16-09-1803; plaats van herkomst: Amsterdam; godsdienst: kath.; aangekomen op 23-10-1821; ingeschreven in Wilhelminaoord als kolonistenzoon; vertrokken op 02-01-1831.
Bijzonderheden:
Jacobus is een zoon van Fransiscus Johannes Babtistus Westhof (weduwnaar).
Op vertrekdatum met de dienstdoende schutterij vertrokken.
 
Fransiscus Johan. Westhoff, geboren op 17-08-1806; plaats van herkomst: Amsterdam; godsdienst: kath.; aangekomen op 23-10-1821; ingeschreven in Wilhelminaoord als kolonistenzoon; vertrokken op 15-07-1828.
Bijzonderheden:
Fransiscus is een zoon van Fransiscus Johannes Babtistus Westhof (weduwnaar).
Op 15-07-1828 gedeserteerd ; op 10-10-1828 terug en afgevoerd.

Maria Magdalena A. Westhoff, geboren op 21-07-1810; plaats van herkomst: Amsterdam; godsdienst: kath.; aangekomen op 23-10-1821; ingeschreven in Wilhelminaoord als kolonistendochter; vertrokken op 01-09-1834.
Bijzonderheden:
Maria Magdalena is een dochter van Fransiscus Johannes Babtistus Westhof (weduwnaar).
Op 24-11-1827 gedeserteerd; terug op ?
Op 07-04-1830 weer gedeserteerd; terug op 23-08-1834 en ingedeeld bij kol. J.Braun Sr. in II.
Op vertrekdatum op last van de permanente commissie afgevoerd

Voorzover er meer informatie bekent is over de kinderen, zijn hier extra pagina’s die via de hyperlinks (de blauw gekleurde namen) hierboven, en ook nog via het menu helemaal bovenaan bereikbaar zijn. Dit gaat met de knop personen, waarna de pagina’s over de kinderen via het submenu onder Franciscus Westhoff bereikbaar zijn.

In de tien jaar tussen die aankomst datum in 1821 en het overlijden van Franciscus in 1831 is er nog wel het een en ander voorgevallen.

Vrij snel na aankomst is het voor het bestuur duidelijk dat een weduwnaar met 5 kinderen, naast het werk dat er op het land wordt gevraagd, niet voor het gezin kan zorgen.
De jongste, dochter Maria Magdalena Anthonia is nog maar net 11 jaar oud. Er wordt daarom een huishoudster / “vrouwmeid” bij het gezin geplaatst, die het echter niet lang volhoud. Zij heeft het niet zo op “dit soort menschen” en wordt na ruim een jaar overgeplaatst naar een ander gezin.

Het is ook nog geen jaar na aankomst als Franciscus een brief schrijft aan het bestuur, waarin hij toestemming vraagt om zijn oudste zoon Petrus Gerardus te kunnen laten trouwen. Deze stadsjongen had de verdere mogelijkheden van het platteland ontdekt. Zie hiervoor de aan hem gewijdde pagina.

Die brief luidde als volgt:

Geeft mit de hoogste eerbiet te kenne ik ondergetekende Fs Westhoff colonist in de Westvierde­parte als dat mijn sohn genaamt Ps Westhoff oud zijnde 24 jaare in eene verkeering geraakt zijnde mit eene Neeltje de Weyn, welke als huysversorgster, op de bovengenoemde colonie, insgelijks woonag­tig sijnde, en sij bijde sodanig over een gekomen zijnde, van sich gaarne in het huwelijk te vereenigen, hiertoe egter, van UWelEedele Heeren de admissie en approbatie nodig hebbende, en ik als vader, van den bovenge­noede P: Westhoff mijne goedkeuring geve; so bin ik te rade geworde van mijn mit deses bij UWelEedele Heeren te vervoege mit versoek, dat het UWelEede­lens behaage moogen, de hiertoe benodigde admissie te verleen­en, ten eijnde sij sich in der echt mogen vereenigen, en mijn sohn, als colonist mogen ontslagen worden, en als huijsvers­orger door UWelEedelens gunst mogen worde geaccepteert en opdat, dit mijn versoek door UWelEedelens moge worde toegestaan

Noeme ik mijn mit eerbiet UWelEedelens onderdanigste Dienaar Fs Westhoff colonist in de Westvierde­parten No. 62

In 1824 heersen er ziektes op de kolonies, o.a. de kinkhoest. Er is een arts aanwezig, en in het op de kolonies uitgegeven maandblad de Star, staat in Juni het volgende bericht:

Kolonieberichten:
In den 1ste en 2de koloniën waren, gedurende deze maand, geene zieken. In de 3de, 4de en 6de waren er meer dan gewoonlijk. De kolonisten Kuipers, Westhoff en de vrouw van Alblas zijn nog gevaarlijk krank. Ook is de kinkhoest in de koloniën No 3 en 6 wederom sterker dan in de voorgaande maand. In de Ommerschans zijn thans weinige, en te Veenhuizen bij voort­during geene zieken.


Of het Franciscus Westhoff zelf was, of zijn zoon Petrus Gerardus is niet geheel duidelijk, zoon Petrus komt in ieder geval in Juli te overlijden. Waarschijnlijk waren zowel vader als zoon beiden ziek, want in Augustus is er een nieuw bericht dat “de kolonisten kuipers, westhoff en de vrouw van alblas nog gevaarlijk krank zijn”.

Ondanks het feit dat het zogenaamde “vrije kolonies” waren, werd weinig eigen initiatief toegestaan. Alles ging onder strikte regels, alles werd geregistreerd, en voor veel zaken moest er aan het bestuur (de kleine raad) toestemming worden gevraagd. Zeker als men van de kolonies af wilde, al was het maar voor een familie bezoek elders in het land.
Voor deze reizen moest dus een goede reden opgegeven worden, en werd er een besluit genomen in de zg. kleine raads vergaderingen.

Zo vraagt vader Franciscus in 1825 toestemming om naar Leiden te mogen reizen, en verlof te krijgen vanwege: “te kennen gevende dat een zijner zonen te Leyden, in ‘s lands dienst zijnde, verleden jaar geduriglijk ziek had gelegen, denzelven onderscheidene keeren te hebben geschreven, doch hoegenaamd geen antwoord terug ontvangen had“.

Franciscus krijgt toestemming, maar dan blijkt dat zoon Johannes inderdaad al eerder op 4 Juni 1825 in het toenmalig militaire hospitaal te Oegstgeest was overleden.

Volgens de overlijdens akte van Johannes hierboven, verbleef hij als gevangene in het genoemde hospitaal, maar waarom hij dan gevangene was? Het waren in ieder geval geen brave jongens de zonen Westhoff, en zij bezorgden de oude Westhoff nogal wat hoofdbrekens en zorgen.

Alsof dat niet genoeg was, wordt hij in Mei 1826 ervan beschuldigd rogge te hebben verkocht aan een andere kolonist. De aanklacht komt voor de raad van tucht en politie, maar wordt zonder bewijs afgedaan als mogelijke laster.
Dit een typisch ander voorbeeld zijnde van hoe alles, werd geregistreerd en door de administratie molen werd gehaald.
Alle opbrengst van het land kwam uiteindelijk ten goede van de staatskas, de kolonisten werden een schamel loontje betaald met als neven vergoeding wat kleding en huisraad, maar soms werd er onderling toch poging gewaagd voor wat extra eten, of geld door verkoop van dat eten.
Verder moest natuurlijk ook de Maatschappij van Weldadigheid blijven bestaan, die draaide ook niet voor niets, en het bestuurlijke en orde houdende personeel moest ook betaald worden. Kortom, alle opbrengst was hard nodig.

Een maand later komt Franciscus Westhoff opnieuw bij de raad, ditmaal om te vragen of hij verlof kan krijgen om naar Amsterdam te gaan. Hij krijgt toestemming, en zal zijn enige overgebleven zuster zijn gaan bezoeken.

In November van dat zelfde jaar vraagt hij opnieuw verlof, nu om naar Leiden te kunnen reizen alwaar hij nog geld tegoed zou hebben, van een niet nader gevonden persoon. Hij krijgt wederom toestemming om de kolonie voor tien dagen te verlaten.

Een jaar later, November 1827, vraagt hij opnieuw toestemming om naar Amsterdam te mogen reizen, waarschijnlijk is zijn enige nog levende zuster dan ziek. Deze zus (Joanna Maria) komt te overlijden in April 1828.
In Juni 1828 vraagt hij opnieuw toestemming om naar Amsterdam te mogen reizen, maar de directeur is de mening toegedaan dat hij te vaak weggaat en weigert toestemming.
Twee weken later zal Franciscus nogmaals een verzoek indienen om naar Amsterdam te mogen reizen, met als reden dat zijn zuster overleden is. Het is niet bekend of hij toen wel toestemming kreeg.

Alsof Franciscus nog geen zorgen genoeg had, komt daar nog een schepje bovenop. De jongste van de 5 kinderen, dochter Maria Magdalena is op 24 November 1827 gedeserteerd. Zij zal echter bijna een jaar later weer terug komen.
Ook broer Franciscus Johannes, het voorlaatste kind in het gezin neemt de benen, maar zal niet meer op de kolonie terug keren.

In Maart 1829 vraagt Franciscus opnieuw toestemming om naar Amsterdam te mogen reizen, met als reden om te mogen erven.
De overleden zus was gehuwd met Pieter van Nieuwenhuisen, een meester smid van Belgie geboortig. Zij zal in een betere situatie verkeerd hebben dan Franciscus en hem een en ander hebben nagelaten.
Franciscus krijgt toestemming voor 14 dagen verlof, maar het gaat niet goed met hem. Het zal dan ook de laatste maal zijn dat hij op reis gaat. Hij is dan 56 jaar oud, maar verkeert vaker en vaker in verwarde toestand.

Dochter Maria Magdalena is terug op de kolonie en woont weer bij haar vader. In Augustus 1829, dient zij een verzoek in bij de raad om een “ingedeeld weesje” toegewezen te krijgen, teneinde de koe te hoeden, en naar de school te gaan, met als reden dat haar “oude” vader daar niet meer toe in staat is. Dat verzoek wordt toegewezen, en nog op dezelfde dag komt er een dertien jarige weesjongen bij hen inwonen. Deze zal echter slechts een paar maanden blijven, en is in Januari 1830 al weer vertrokken.

In Maart 1830 vraagt Maria Magdalena toestemming om met verlof naar Amsterdam te mogen gaan, hetgeen wordt geweigerd omdat:

“haar oude vader ziekelijk en zwak is, die de oppassing zijner eenigste dochter bestendig noodig heeft”

Maria Magdalena besluit om zonder toestemming haar eigen zin door te zetten, en deserteerd opnieuw bijna twee weken later in April 1830. De redenen voor haar deserteren zijn echter van geheel andere aard.

Franciscus is nu alleen thuis met de laatste overgebleven zoon, Jacobus Martinus, die bij de raad van de kolonie op zitting verschijnt, omdat hij “huishoudende met zijnen ouden vader, die wederom tot de kindschheid is teruggekeerd, verzoekende eene huishoudster, daar zijne zuster de kolonie dezer dagen heimelijk verlaten heeft“.

De kleine raad zal zorgen zoo mogelijk hier eene meid te plaatsen.

Dat gebeurt dan eind Mei 1830, als Susanna Altaart uit Vlissingen bij vader en zoon Westhoff wordt ingedeeld om het huishouden te doen.
Nauwelijks 5 maanden later dient zij echter het verzoek in om bij een ander huishouden geplaatst te worden, maar dat wordt geweigerd.

Tegen het einde van datzelfde jaar verlaat zoon Jacobus Martinus de kolonie, en vertrekt met de schutterij.
Vader Franciscus, nu alleen achter gebleven, kan niet alleen voor huis en haard zorg dragen, en verkeert steeds vaker in verwarde toestand. Hij is aan het verkindsen.

Per 4 Januari 1831 wordt hij ingedeeld bij een andere kolonisten familie die ook de zorg voor hem op zich nemen.
Dat zal niet lang duren en nodig zijn, nog geen drie weken later, op 25 Januari 1831 komt Franciscus te overlijden. Hij werd 56 jaar oud.

De pagina’s aangaande de familie Westhoff zijn mede tot stand gekomen dankzij de hulp van Wil Schackmann, die heel veel materiaal over de kolonies na jarenlang onderzoek toegankelijk heeft gemaakt.

Hij schreef de boeken De Proefkolonie, De bedelaars kolonie, De Kinderkolonie en De Strafkolonie.

Een groot deel van het genoemde materiaal staat ook op de website van Wil Schackmann: De Maatschappij van Weldadigheid (opent een nieuwe pagina)

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *