Een gedicht

Op de pagina over Nicolaas van Lier staat een fragment uit een gedicht van Ruurd Faber, “Er werd een verpleegde begraven”.

Het tekent de situatie uit de tijd van de straf kolonie Veenhuizen.
Hieronder het volledige gedicht:

’n Sjofel pak, versleten schoenen, in zijn hand een stok.

Een oude pet, om ieder been een rafelige sok.
Ruim en slonzig ondergoed om ’t lijf
Rheumatisch en een beetje stijf,
Zwierf hij dagelijks door dorp en stad
Schooiend op zijn levenspad.

Met familie had hij geen contact.
Waarom ook? Als landloper afgezakt
Als een paria in de maatschappij,
Had hij slechts één wens: ‘volkomen vrij’.

Eenzaam zwierf hij door ’t land,
Meestal met een bosje veters in de hand.
En lukte het deze te verkopen
Dan werd de winst in één keer opgezopen.
En mocht hij soms iets overhouden,
Wel, dan waren er nog de vrouwen.

’t Lichaam ondermijnd door drank en hoeren.
Kwam in Veenhuizen regelmatig weer op toeren.
Want de enige die hem niet vergat,
Was de rechter, die hem op verzoek,
telkens drie jaar toemat.

Iedere poging tot zijn reclassering
Vond bij hem zijn slechts een négering.
Bij ontslag kende hij slechts één behagen.
De uitgaanskas er door te jagen.

Was die er door, dan keerde hij vlug
Als verpleegde op basis Veenhuizen terug.
In zijn bruine pak en buis
voelde hij zich volkomen thuis.

Eenzaam en vereenzaamd in het leven
Heeft hij in het hospitaal zijn ziel gegeven.
Daar stierf hiij zijn ‘eenzame’ dood
Van zijn lijk was alleen de neus nog rood.

Acht lotgenoten bewezen hem de laatste eer
En lieten hem in de diepe zandkuil neer.
De dominee bad het Onze Vader aan zijn graf
De administratie voerde hem van de sterkte af.

In een zwartgeverfde, vurenhouten kist.
Rust hij nu, die door niemand wordt gemist.
Op her ‘Vierde’ kwam er weer een bij
’t Werd nummer tien op de zesde rij.

Meer info op: Gevangenismuseum Veenhuizen (opent een nieuwe pagina)